Voorproeverijtje

PROLOOG

Ik kijk op mijn horloge. Het is inmiddels ruim over kwart voor een half. Ofwel: ver over de afgesproken tijd. Het is altijd lastig af te spreken met moederenden vriendinnen. Staan ze op het punt te vertrekken heeft de dreumes opeens een spuitluier, wil de peuter per se met duplo spelen en de kleuter wil gewoon niets. Althans, dat is hoe ik het voor mij zie. En daarom moet ik er nog even niet aan denken. Kinderen.

Net als iedere vrijdag zit ik stipt op tijd aan ons tafeltje bij ons vaste restaurant. Stipt, want om half vier staan er weer negen kinderen en een moeder te springen voor mijn winkeldeur. De kinderen dan, de moeders weten zich tamelijk rustig te houden in het tumult. Maar goed, hier zit ik dan, tamelijk opvallend eenzaam te wachten op mijn vriendinnen. Glas wijn in de ene hand, iPhone in de andere hand. Zij en ik zijn onafscheidelijk. Consequentie van een eigen zaak. Altijd bereikbaar moeten zijn en klantvriendelijk. Dat laatste lukt alleen door klagende klanten – lees kinderen – te compenseren met de kleine geneugten van het leven.

Drie jaar geleden ontdekte ik een klein zaakje in ons vakantiedorpje in Spanje. Iedere dag – geen uitzondering – krioelde het van de kinderen en hun ouders. Nadat ik er voor de zoveelste keer langsliep, negeerde ik mijn kinderfobie en stapte naar binnen. Wanden vol met poppenkleertjes, futloze knuffelberen, knuffelhonden en ander knuffelgeweld. De eigenaresse bleek stomtoevallig een Nederlandse te zijn. Vol trots vertelde zij haar concept. Kinderen konden hun eigen knuffel samenstellen, tot de vulling aan toe. Wol, acryl of katoen. Booming business. Dat moest in Nederland ook kunnen dacht ik. En een goede aanleiding om over mijn kinderfobie heen te komen. Wat overigens aardig goed gelukt is. Het runnen van een succesvolle eigen zaak bedoel ik dan.

Lisse. Vriendin nummer een verschijnt slechts een kleine zeven en een halve minuut ‘te laat’, ofwel: een glas wijn later. Lisse runt een woonwinkel om de hoek. Iedere woensdagmiddag sluit ze haar zaak voor een korte onderbreking en wordt zoontje Bram uitspelen ‘gestuurd’. Alles voor onze vriendschap. Zo’n toegewijde vriendin is zeldzaam en ontmoet je maar een keer in je hele leven. “Sorry”, verontschuldigt Lisse zich, “Bram’s speeldate kon opeens niet meer, dus ik moest hem gauw koppelen aan een ander klasgenootje”. Nog een reden om niet aan kinderen te beginnen, ze zijn zo wispelturig. Maar dat kan ik haar natuurlijk niet vertellen. Daarom bestel ik maar gauw een drankje en vraag om de lunchkaart. Het zal vast niet lang meer duren voor vriendin nummer twee op komt dagen.

En ja hoor, daar is ze! Zowaar nog sneller dan de lunchkaart. Julia. Onze steun en toeverlaat die het in haar hoofd heeft gehaald over een maand naar Australië te vertrekken. Haar hart achterna, Brandon achterna. Ze had hem in Amerika ontmoet bij een groot paardenconcours. Weken na het concours kwam ze er achter dat Brandon een cadeautje achter had gelaten. Ze is zwanger. En hoe. De afgelopen woensdagmiddagen had ze boven het toilet van het restaurant gehangen. Vandaag zag ze er gelukkig een stuk gezonder uit. Dochter Floor – niet van Brandon, wel van Julia – was na wat tegenstribbelen naar oma gebracht. Wat ik trouwens wel kan begrijpen, de moeder van Julia voldoet aan alle kenmerken van een enge oude sprookjesheks. Een krakerige stem, lang grijs haar en een grote wrat op haar rechterwang.

Ik stap – loyaal aan mijn zwangere vriendin – over op bubbeltjeswater, alhoewel mijn keuze voor een pistoletje Filet American snel is gemaakt. We kakelen wat af – ik denk dat het voor omstanders in ieder geval ongeveer zo klinkt – en de tijd vliegt voorbij. Na anderhalf uur ben ik weer helemaal bijgepraat over Bram zijn bijzondere speeldate – die dus niet doorging, de opdringerige buurvrouw van Lisse en de zwangerschapseigenaardigheden van Julia. En ik heb geprobeerd zo neutraal mogelijk te vertellen dat Gijs promotie heeft gemaakt. Natuurlijk deed ik diep van binnen een dansje en wilde ik het ’t liefst uitroepen zodat het geen omstander zou zijn ontgaan.

Ja, ik denk dat omstanders best geloven dat wij drie heel gelukkige vrouwen zijn van eind twintig. Terwijl we stiekem net de dertig zijn gepasseerd en onze vuile was graag buiten hangen – alhoewel we het verrassend goed weten te verbloemen. We praten gewoon iets harder, duidelijker en langzamer als we vertellen hoe getroffen we het hebben met onze vrienden, echtgenoten en familie. Want wat niemand weet is dat de buurvrouw van Lisse het op haar man heeft voorzien en Julia – naast de zwangerschap – zo haar eigen redenen heeft om Nederland te willen verlaten.

LISSE

De negen kinderen en moeder hebben de winkel net verlaten. Eindelijk. Het jarige Jetje had spartelend op de vloer gelegen toen de knuffelbeer van een vriendinnetje er met het laatste roze prinsessenjurkje vandoor ging. “Maar het is MIJN feestje, MAMA!”, had ze geschreeuwd. Stamelend had de moeder zich verontschuldigd. Normaal was jarige Jetje een heel rustig meisje, beweerde ze. Vast.

Ik wil net de kas opmaken, als Lisse binnenstormt. Vanmiddag had ze er nog stralend bijgezeten. Gloss op de lippen, blush op de wangen en een volumemascara – even voor de beeldvorming. Haar haren als altijd stijlvol in model. Lisse heeft eigenlijk altijd alles goed voor elkaar. Ze is bedeesd, gecontroleerd. Behalve op dit moment. Haar haren zitten vol klitten, haar gloss loopt tot over haar wang. De blush op haar wangen heeft zich vermengd met haar mascara. Ze staat nu al zeker vijf minuten hysterisch te huilen en te hijgen aan mijn toonbank. Tussendoor klinkt er een krachtterm, maar het is mij nog niet helemaal duidelijk wat haar boodschap is. Ze is ziedend. Dat moge duidelijk zijn. Maar op wie? En waarom? Ik heb geen idee.

Nadat ik haar een rustgevend middel heb toegediend ofwel wijn, begint het hijgen over te gaan tot hevig zuchten. Het hysterisch huilen wordt een snik. “Die feeks”, roept Lisse met haar kaken stijf op elkaar. “Die platinablonde feeks lag met mijn man in mijn bed!” Het snikken dreigt weer tot hysterisch huilen over te gaan. Maar – gelukkig – Lisse weet zich te herpakken. “Ik kwam toevallig wat eerder thuis. Ik had eigenlijk niemand thuis verwacht. Bram zou bij zijn klasgenootje blijven eten en Pim zou hem uit zijn werk ophalen.” Ik sta versteld van de snelheid waarmee ze praat, zonder ook maar naar lucht te happen. “Ik hoorde gestommel boven, dus ik griste naar iets dat het dichtst bij mij stond. Een kaars. Sorry, iets beters had ik gewoon niet op tafel staan. Ik had graag een kandelaar of een mes meegenomen als ik geweten had wat ik zou gaan zien.” Ik ben nogal beeldend ingesteld, dus ik moet mijn best doen verder te luisteren, zonder Lisse voor mij te zien met een mes in haar handen.

“Het geluid kwam uit de slaapkamer. Ik verwachte nog steeds een of andere inbreker, aangezien Pim zijn auto niet voor de deur stond.” Lisse is op dreef, ik hang zo ongeveer over de toonbank van nieuwsgierigheid. Alhoewel ik natuurlijk ook ziedend ben, die gore Pim! “Ik hoorde een kreun, wat ik op zich al best vreemd vond voor een inbreker. Als een gek gooide ik de slaapkamerdeur open, terwijl ik in mijn andere hand aanvallend de kaars vasthield. Klaar om de inbreker te lijf te gaan.” Ik geniet ervan dat mijn vriendin tot in details de situatie terug weet te halen. Het moet enorm zwaar voor haar zijn de hele situatie weer voor zich te halen. Toch ben ik haar dankbaar, dan kan ik mijn weerzin tegen Pim eindelijk onderbouwen – ik heb hem nooit gemogen.

“Stond ik daar met mijn stompkaarsje. Beduusd. Niks geen inbreker. Maar de overgewaardeerde, nepblonde ‘ik ben heus nog geen veertig’ buurvrouw. In mijn bed. Op mijn man. Natuurlijk heb ik haar daar eigenhandig vanaf getrokken, waarmee ik meteen de helft van haar blonde lokken in mijn hand had.” De afgelopen weken hebben we het nodige te horen gekregen over deze buurvrouw. Bijna dagelijks hing ze met haar voorgevel over de schutting met Pim te praten over koetjes en kalfjes. En nu waren deze koetjes en kalfjes Pim fataal geworden. Hij was voor de bijl gegaan. Waarschijnlijk zag hij dit als enige oplossing om die feeks tot zwijgen te brengen.

“Het raam stond open. Gelukkig. Dus ik heb maar meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt om de kleren van de buurvrouw op te rapen en uit het openstaande raam te smijten. Weg ermee. Hopsa.” Om een voorstelling te krijgen van de manier waarop Lisse haar verhaal doet: het klinkt als een meisje uit groep 8 dat meedoet aan een voorleeswedstrijd – en de wedstrijd wint. Bedeesd en gecontroleerd – met een beetje zelfspot.

“Luister je nog?” Lisse’s rood doorlopen ogen kijken mij vragend aan. Ik knik, snel. En nog een keer. Natuurlijk luister ik. “Uiteindelijk kwam Pim’s naakte zelf uit bed. Ik stoof op hem af en heb hem een paar flinke stompen op zijn schitterende torso gegeven. En toen brak ik. Ik heb als een hysterische hyena staan huilen, terwijl Pim en die vieze feeks met blik van medelijden mij aan stonden te gapen. Dat pikte ik natuurlijk niet, dus ging ik die feeks maar weer te lijf. Ik ben er niet trots op, maar ik moet toegeven dat het best goed voelde toen ik haar een blauw oog sloeg. Dus eigenlijk ben ik er met wat uitgelopen make-up best goed vanaf gekomen. Behalve dat…” Net nu het spannend wordt houdt Lisse abrupt haar mond. Ze speelt met haar wijnglas en ontwijkt mijn vragende blik. Ze haalt diep adem en mompelt zachtjes – alsof ze zichzelf moed in praat.

“Opeens stond Brammetje in de deuropening van de slaapkamer. Zegt hij: ‘Mama, waarom heeft de buurvrouw geen kleren aan?’. Geschrokken van zijn onverwachte aanwezigheid flapte ik eruit: ‘Omdat ik die net uit het raam heb gesmeten, lieverd’. Spontaan begon ik te lachen. Ik kon gewoon niet ophouden met lachen.” En met dat ze het verteld begint Lisse weer te lachen. Vanuit haar tenen te lachen. Voorzichtig lach ik met haar mee. Haar lach zwakt af. “Bram zit in de auto. Kunnen we een nachtje bij jou blijven?” Oké, die zag ik niet aankomen. Natuurlijk is ze welkom, natuurlijk. Maar vanavond is het feest in Huize Den Herder. Manlief is gepromoveerd en dat zou gevierd – gevierd! – worden. Ik stamel, “Natuurlijk meid, natuuuuuuurlijk. Voor jou en Bram is er altijd een kamer vrij.”

Lisse rijdt alvast vooruit, dus ik moet haast maken om te zorgen dat Gijs niet in een heel ongemakkelijke situatie terechtkomt. “Lieverd”, Gijs neemt gelukkig altijd zijn telefoon op – behalve op dit moment, dus spreek ik vlug wat in op zijn voicemail. “Je kunt je beter maar weer omkleden. Lisse staat straks voor de deur. Het is gebeurd. Het is er dan nu toch echt van gekomen. Pim heeft het gedaan met de buurvrouw. Het, het. Je weet wel.” Ik gooi vlug het bodempje wijn achterover, sluit de zaak en pak de fiets op weg naar huis. Het geeft mij een paar minuten de tijd om te beseffen in wat voor situatie ik dadelijk terecht kom. Een gebroken vrouw, een verward kind en een hitsige man in een huis. Ik heb nog nooit, nooit voor zo’n grote uitdaging gestaan.


BRAM

Opeens schiet het door mijn hoofd. Julia. Julia! Lisse kan natuurlijk in het huis van Julia terecht. Bram vermaakt zich de eerste weken nog met Floor. Julia heeft een onderhuurder voor als ze naar Australië vertrekt en Gijs en ik kunnen met een dag vertraging zijn promotie vieren. Ik heb de oplossing. Ik zal het morgenvroeg direct aan Julia voorleggen.

Lisse en Gijs praten over de politiek. Haar man is vreemdgegaan dus praten we maar over zoiets als politiek. Bram en ik vervelen ons, want wij weten daar niets vanaf. Bram peutert in zijn neus en schiet de snotjes met zijn wijsvinger de lucht in. Bedankt, Bram. Heel tof. Maar daar kan hij ook niks aan doen. Zijn vader heeft net zijn moeder bedonderd. Ik trek hem dicht tegen mij aan. Hij ruikt heerlijk fris. Voor het eten was hij snel even in bad geweest. Hij had onder de modder en ander prut gezeten.

“Brammie, als jij nou eens in de koelkast een verrukkelijk toetje uitzoekt? Ik denk dat jij dat heel erg goed kunt. Toch?” Bram – blij dat hij van tafel mocht, sprintte naar de koelkast en liet toen teleurgesteld zijn schouders hangen. Geen CARS kwark, ‘Die Paula is een koe’ vlekkenvla of ander kindvriendelijk commercieel zuivelproduct. “Psst, Bram!” Fluister ik hem toe. “Je moet in het kleine vak bovenin de koelkast kijken.” En ja, daar is hij. De glimlach van oor tot oor. Ik was net vliegensvlug langs de supermarkt gereden voor echte CARS waterijsjes. Ik heb wel een hart. Althans, wel voor Bram. Bram is stoer. En vandaag ook wel een beetje zielig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s